De gulden trede - Jos van Loon vertelt
Het vak van trainer leren en het aansturen van leerprocessen in de vingers krijgen. Dat is waar de meeste mensen voor komen als ze starten in de Trainersopleiding. Maar soms is er iemand bij wie het anders gaat. Jos van Loon dácht dat hij kwam om te groeien in zijn trainerschap, maar ontdekte waar het voor hem echt om ging: werken met tegenslag, nabestaanden en rouw. En zo ging hij afgelopen zomer op pad, op weg naar zijn eerste bijeenkomst.
Met een klein mapje papieren loop ik door de smalle straten. Het is ontzettend heet. Ik vertraag mijn pas om niet bezweet aan te komen. De schaduw van de oude huisjes die over de stoepen valt, gebruik ik om mijn weg naar de kerk te vervolgen. Ik wil niet te veel opvallen.
Het is midden in de zomer, en ik ga mijn verhaal vertellen.
Ik zie de toren. Ik zie de kerk. Een gigantisch middenschip, pontificaal in het vestingstadje. Vlak bij de ingang zijn een paar mannen in de weer met laden en lossen. Uit een vrachtwagen worden tafels en stoelen naar binnen gereden. Ze treffen voorbereidingen. Aan de andere zijde van de kerk puilen de terrassen uit. Mensen drinken koffie en thee in de zon, met uitzicht op de Grote Kerk. Er is ook een bruiloft op komst — dat zie ik aan de kleding van de mensen.
Die mensen zal ik binnen niet ontmoeten. Buiten gaat het leven in volle vaart door, terwijl wij daarbinnen straks samen stil staan.
Op weg naar de grote groene deur, waar ik verwacht word, zie ik een schittering in het zonlicht. Ik loop ernaartoe en ontdek een grote, gouden trede. De trede is als een zwevend rechthoekig vlak, onderdeel van een metershoog monument. Er staat een naakte bronzen man op een sokkel. Met één been op de sokkel en het andere gehurkt op de tegel. Klaar om te klimmen. Of daalt hij af? Zijn armen en handen hebben zich vastgezet aan de tegel. Zijn spieren zijn strak, zijn kracht zichtbaar. Alsof de beklimming ieder moment kan beginnen, en ik daar getuige van mag zijn. Minutenlang bestudeer ik zijn gezicht. Het zweet loopt inmiddels over mijn rug en voorhoofd. Dan ben ik blij dat ik de koele kerk in kan. De bijeenkomst voor nabestaanden gaat beginnen.
Een paar uur later stap ik weer naar buiten. De zon staat op haar hoogst. Het is er niet koeler op geworden.
Vlug prop ik een boterham in mijn mond — ik was vergeten te lunchen. Van de bruiloft zie ik alleen nog de laatste mensen in een stoet vertrekken. De klokken luiden ze vrolijk uit.
Dan blijf ik opnieuw staan bij de naakte bronzen man op de sokkel. In mijn lijf klinkt de echo van de namen die we binnen noemden. En ik besef dat ik het beeld goed ken. Het is de blik van hoop. Van verder gaan. Van aankijken wat er niet meer is. Van stappen vooruit. De blik — dat er altijd een weg is. Een stap te zetten. Volgens mij heb ik dat net gedaan.
De gulden trede beklimmen.